zondag 11 augustus 2019

de provincie Huelva

In Mazagón zien we niet alleen bij het parador een prachtige 400-jarige maritieme den, maar ook de gevolgen van de bosbranden van 2017. Grote percelen op en om de duinen zijn afgesloten, net zoals de Cuesta Maneli, een wandelweg van vlonders over de prachtige, uit fossiele zandsteen bestaande, Asperillo-kliffen. Gelukkig kunnen we op dezelfde route soortgelijke kliffen zien. Mooi contrast, al die kleuren geel en wit met de groene vegetatie.



Om in Punta Umbria te kunnen afmeren moeten we rekening houden én met de ondieptes in de ingang, én met de forse stroming in de rivier. De havenmeester waarschuwt al: 'try to come in on a rising tide'. Dat wordt dus HW slack, want het is ook nog springtij. Bij het aanleggen niets aan de hand, geen beweging in het water. Vlak daarna begint de ebstroom. Gigantisch wat een geweld! Goede planning dus ;-)

Punta Umbria ligt op een landtong, aan alle kanten lopen er rivieren en moerassen omheen. Met de "canoa" (veerboot die hier vroeger voor het vervoer werd gebruikt), gaan we naar Huelva en fietsen de dijk op die tussen de moerasgebieden loopt om vogels te spotten. Flamingo's, lepelaars, grutto's, ook nog grote schildpadden gezien en gekko's. Op de fiets over de Via verde terug. Is een heel eind. Maar in de Enebrales (een duingebied met de status natuurpark) zien we wel een hop vliegen. Nooit eerder gezien!

Plaza de Toros, Huelva


Ook de vegetatie hier is bijzonder. Enorm veel maritieme dennen, ook wel parasoldennen geheten, de
wilde olijf en de juniperus oxycedrus (een stekelige jeneverbes met grote bessen). Die laatste komt in dit gebied weinig voor, maar staat hier tussen de dennen. En nu hopen we maar dat we het allemaal goed begrepen hebben, want de teksten op de bordjes zijn natuurlijk allemaal in het Spaans.


Dat is niet zo gek trouwens, want rondlopend en fietsend komen we geen buitenlanders tegen. Al zou je op grond van het aantal Nederlandse en Belgische vlaggen op zeilboten anders vermoeden. Maar dat zijn dus allemaal nepbuitenlanders: mensen die onder een andere vlag varen om de belasting op zeilboten hier te omzeilen (figuurlijk dan).

We willen naar El Rompido, een heel leuk plekje aan de Rio Piedras. Maar als we bellen voor een ligplaats krijgen we nul op het request. Dan maar op de fiets er naar toe. Eigenlijk wilden we nog eens naar Huelva, maar de veerboot heeft panne. Na een beetje aandringen krijgen we nu toch een plekje voor een paar dagen. Het is niet ver van Punta Umbria, maar we moeten weer met HW door een smal geultje. Via de website kun je de "batimetria" van juni raadplegen. De positie van de banken verandert nogal snel, een aantal jaren geleden was het bijvoorbeeld nog veel lastiger om binnen te komen. Hieronder zie je dat je door het blauwe geultje tussen de groene platen door moet.
Alles gaat prima. Dan maar weer het achterland verkennen: er zijn weer prima routes door de moeraslanden, al stuiten we wel, en niet voor het eerst, op een doorgezakte brug, en Cartaya in het binnenland twee maal op de fiets, waarvan één maal over een zwaar mountainbikepad. In het achterland vooral citrusbomen, en aardbeienplantages. Cartaya heeft een prachtig pleintje, waar je lekker kunt zitten. Hieronder wat plaatjes:
El Rompido, vuurtorens


Omdat we hier met HW wegmoeten, en de volgende haven, zo'n 25 mijl verder, ook weer met HW in moeten, is het plan terug te varen naar Mazagón. Daar kun je op ieder gewenst moment uitvaren. 
Wordt vervolgd.


zaterdag 3 augustus 2019

Cádiz, El Puerto de Santa Maria, Rota, Mazagón

Cádiz ligt als een soort kaap midden in de grote baai met dezelfde naam. De stad is omgeven door water, en zit alleen met een smalle landtong waarover een weg en het spoor loopt, en met twee bruggen, vast aan het vasteland. Er wordt beweerd dat Cádiz de oudste stad van Europa is, rond 1100 voor Chr. gesticht door de Phoeniciërs. De bloeitijd kwam na de ontdekking van Amerika, waarna de handel met de Nieuwe Wereld vooral hier vandaan plaatsvond.
Cádiz is veel minder bekend dan de andere grote Andalusische steden, zoals Seville, Granada en Córdoba, en dat is goed te merken: er zijn geen grote hordes buitenlandse toeristen. Toch is het oude centrum prachtig. Veel grote gebouwen uit de tijd dat Cádiz welvarend was, een imposante wkathedraal, een kasteel en een fortificatie, prachtige parken, maar vooral een enorm labyrinth van kleine, smalle straatjes onderbroken door intieme pleintjes.

De eerste drie dagen liggen we in de marina, daarna gooien we het anker uit onder de imposante, nieuwe brug, die een beetje op de Erasmusbrug lijkt. We kunnen met de dinghy aan land in het vissershaventje vlakbij. De volgende ankerplek is aan de noordkant van de baai, voor een mooi strandje ten westen van El Puerto de Santa Maria. Deze stad vormt samen met Sanlúcar de Barrameda en Jerez de La Frontera de zogeheten sherrydriehoek. Ook hier is het rustig. Veel bodega's uiteraard, waaronder die van Osborne, en een aantal palacio's uit de 17e en 18e eeuw van belangrijke kooplieden die handel dreven met Amerika. Veel ervan redelijk vervallen, maar o.a. het barokke Casa dos Leones, nu hotel, en het Casa de Aranibar, met een schitterend houten plafond, zijn gerestaureerd.

In de omgeving is een aantal fietstochten uitgezet. We gaan eerst naar de zoutpannepn, en zien daar twee lepelaars, en een enorm aantal flamingo's, ook in vlucht. Dan zie je pas goed het oranje en zwart aan de onderkant van hun vleugels. Prachtig!

De fietstocht naar Jerez de la Frontera is lang en warm. Het Alcazar (een prachtige Moorse burcht) is uiteraard gesloten, net als de Phoenische opgraving van Doña Blanca een dag later. Dat is echt een nadeel van Spanje: tussen 14.00 en 17/18.00 uur is alles dicht en kun je nergens in. Gelukkig is de kathedraal van Jerez wel open, en is er buiten ook het nodige te bezichtigen. Terug met de trein, in 10 minuten zijn we op het station van El Puerto de Santa Maria, en na een half uurtje fietsen, en 10 minuten met de dinghy terug op de boot.

Dan maar weer eens een echte haven: Rota. Eerst poetsen, dan verkennen. We waren er al eerder vanuit Chipiona, maar zien nu pas goed wat een leuk stadje het is. Heel erg authentiek, nauwelijks buitenlandse toeristen. Een heel netwerk van smalle straatjes, waar het 's morgens en 's avonds enorm gezellig is. Uiteraard heel veel terrasjes en restaurantjes op straat. Achter de boulevard een mooi natuurgebied waar je over vlonders door heen kunt. Hier huist de groene kameleon (niet gezien helaas). In zee, net als in Chipiona, de zogenaamde Corrales. Dat zijn door de Romeinen gebouwde halfronde dijkjes, die als een soort visfuik dienden. Bij hoogwater zwemmen de vissen er in, bij laag water blijven ze er in achter. Heel ingenieus!!
Van Rota naar Mazagón is het niet echt ver. Wel tegenwind, zoals altijd hier als je naar W of NW moet varen. Mooi fietsen langs de kust, en met de bus naar Huelva. Leuk. Allemaal heel erg Spaans hier, want dit is het minst bezochte deel van Spanje.

       Maar een paar (telefoon)kiekjes bij dit blog, de mooie plaatjes kan ik zonder wifi niet van de laptop halen. Misschien later.  Dit zijn respectievelijk de brug bij Cadíz waaronder we geankerd hebben, de fietstocht langs de Guadalete bij El Puerto de Santa Maria, en de 400 jaar oude maritieme den bij het parador van Mazagón.
  


dinsdag 16 juli 2019

Over vastlopen, schoon schip maken en meer

Vanuit onze ankerplaats hebben we zicht op Alvor. Uit de verte ziet het er leuk uit: boulevardje, wit dorpje erachter, kerkje. Maar we hebben er ook het nodige over gelezen. Zoals dat het van vissersdorp ge- of verworden is tot een door Engelsen overlopen toeristenoord. Dat moeten we maar eens gaan bekijken. De twee hoofdstraten zitten inderdaad bomvol restaurantjes, souvenierwinkeltjes en barretjes. En veel Engelsen ja. Een aantal heeft hier waarschijnlijk een residentie. Later ontdekken we de nodige Engelse en Ierse pubs. We bezoeken er één en wanen ons in de UK. Toch heeft het dorp nog steeds charme, zeker als je een straatje verder loopt.

Een nogal avontuurlijk fietstochtje gaat over de dijkjes van de voormalige zoutpannen. En we fietsen ons vast tegen het spoor. De juffrouw van het Turismo had daarom ook liever niet dat we daar gingen fietsen, bang dat we over het spoor zouden gaan. Maar we keren braaf om, en doen nog een ander
dijkje. Er zijn hier trouwens enorm veel ooievaars. Ook al zie je er veel, het blijven vogels die indruk maken, vooral als je ziet vliegen met de poten recht naar achteren.

Met de bus gaan we naar Lagos. Je kunt daar prima in een marina vlak bij de stad liggen,
maar die is wel knetterduur. De stad is heel leuk. Geheel ommuurd, veel pleintjes, en straatjes met "cobbles", zoals overal. De boulevard is chique. Druk, maar even uit het centrum is het al een stuk rustiger. Daar lunchen we in een cafeetje waar vooral "locals" komen.
Ten zuiden van de stad ligt Punta da Piedade, een uitgestrekte landtong met prachtige rotsen, grotten, en strandjes.

Vanuit Alvor fietsen we één dag naar Portimão. De marina ligt ver buiten het centrum, en is niet veel aan. We ontdekken een gebiedje waar met name mensen uit Portimão zelf.


komen lunchen (het is zondag). We gaan er ook maar tussen zitten, en eten vissoep en arroz de polvo (rijst met inktvis).
De dag erna doen we het fietstochtje nog eens en pakken de trein naar Silves, een middeleeuws stadje in de binnenlanden met een groot kasteel en een kathedraal.
Alvor uitvaren gaat vreemd genoeg wat minder goed. Vreemd, we hebben meer water, maar lopen vlak voor de uitgang wel 10 keer vast. Blijken net aan de verkeerde kant van het geultje te zitten.

Van Alvor op Villamoura. De kust is schitterend met ruige kliffen, diepuitgesleten rotsen en enorme grotten. Villamoura is een 'purpose built' jachthaven met een toeristencomplex eromheen. Je weet niet wat je ziet. Rond de haven allemaal winkeltjes, barretjes en eettenten. Maar wel heel verzorgd allemaal.  's Avonds stroomt het vol. Maar wel alles heel verzorgd. En je ligt er verder prima. Een goede plek om de boot schoon te maken na al dat geanker, en water bij te tanken.

In de lagune rond Faro brengen we heel wat tijd door. Eerst geankerd voor Culatra, een soort waddeneiland. Door naar Olhaõ, waar je fantastisch ligt, achter een bank waar we ooievaars en lepelaars zien foerageren. Is verder ook een erg leuk, niet-toeristisch plaatsje. We fietsen heel wat af, naar Faro, Tavira en Vila Real de San Antonio, aan de rivier de Guadiana. Faro is redelijk chic en heeft een prachtige oude binnenstad, Tavira is heel gemoedelijk en ontzettend leuk.

De volgende stop is Chipiona, een grappig stadje met o.a. een mooie boulevard en de langste vuurtoren van het land. Veel Spaans strandvertier, maar de haven is rustig en leuk. Op de Velada de Carmen flamencomuziek en dans. Veel 'Via verde's hier, groene fietspaden. Naar Rota en Sanlucar de Barrameda, een van de drie steden van de sherrydriehoek. Blijkt een enorm verrassend stadje. Als we
 voor een oud klooster staan worden we ook nog binnen genood: het blijkt één van de opslagplaatsen voor de locale sherry ('manzanilla'), die droog en fruitig is. 

Van Chipiona is het 20 mijl naar de baai van Cádiz. Daar is zo veel te beleven dat ik dat voor een volgend blog bewaar

Dit keer weinig plaatjes. In de havens van Andalucia nergens wifi. Het zijn 'publieke havens' beheerd door ambtenaren. Eenheidsprijzen, veel papierwerk, en dus nergens wifi.







donderdag 27 juni 2019

Richting Algarve



Sesimbra ligt 35 mijl ten zuiden van Oeiras. Daar gaan we eerst maar eens naar toe. Het is een toeristisch stadje, vooral vanwege de stranden. We arriveren op tweede Pinksterdag, 10 juni. Hier is 10 juni een nationale feestdag, de Día de Portugal. Op deze dag wordt de dood van de grote Portugese dichter Luis de Camões herdacht (gestorven in 1580). Vandaar dat het rond zijn graftombe in de kerk van het Mosteiro dos Jerónimos veel drukker was dan rond die van Vasco da Gama. In elk geval zijn alle Portugezen vrij, en is het dus druk in Sesimbra. Het stadje ligt aan de westkant van de Serra de Arrábida, een natuurpark, en we maken daar twee dagen leuke wandelingen. O.a. naar het prachtige Castelo de Sesimbra dat ook een heel mooi kerkje binnen zijn muren heeft. Met een steile afdaling komen we bij het strandje Ribeira do Castelo.
Portugal betekent natuurlijk ook vis eten. Dat doen we bij een druk visrestaurant vlakbij de marina. Hoe gaat dat hier? Bij binnenkomst vis uitzoeken (geen idee wat voor vissen het allemaal zijn, dus je kiest maar wat), die wordt dan gegrild, en er komen aardappels (die zijn hier fantastisch) plus sla of groente op tafel. We bleken “corvina” te hebben uitgekozen, een baarsachtige vis. Prima keus!!

Van Sesimbra gaat de tocht naar Sines. Fijne marina, heel leuk stadje. Smalle straatjes, nauwelijks toeristisch. Vasco da Gama is er geboren. Vandaar zijn standbeeld voor het Fortaleza. Het oude stationnetje is niet meer in gebruik, maar heel karakteristiek. Als we de stad uitfietsen naar het noorden komen we in een landelijke omgeving terecht. 


De volgende stop is in de Algarve: na ruim 60 mijl varen gaan we bij Cabo Saõ Vicente de hoek om, en gooien het anker uit in de baai van Sagres. Bij binnenvaren waait het weer gigantisch, maar uit het noorden, dus we kunnen daar prima aan een anker liggen. Een heel afgelegen plek. Ruige roodgele rotsen om ons heen. Alleen draait de wind na een dag naar het zuiden, en liggen we ’s nachts te hotseklotsen op de deining. Dus gaan we anker op, en besluiten direct door te gaan naar de baai van Portimaõ. Heerlijk zeiltochtje! Je ligt daar achter de pier voor het strand van Ferragudo. Nog niet geheel rustig, maar het gaat. Ferragudo is een erg leuk vissersdorp. Ook wel toerisme, maar toch nog redelijk authentiek. De eerste keer trekken we de bijboot op het strand. Maar bij terugkomst is de branding toch wel wat heftig. We duwen de boot tussen wat rotsen door, waarbij de peddel een scheur oploopt. Repareren dus maar! En de volgende keer toch maar verderop bij een aanlegplaatsje aan land.



















We willen toch nog even terug naar het gebiedje dat we overgeslagen hebben. De Ria de Alvor klinkt aantrekkelijk, maar de berichten over de dieptes daar wisselen. Met opkomend water erin, en langzaam langs de zandbanken scharrelen die je dan goed ziet. We lopen twee keer vast, maar zijn zo weer los. Op de ankerplaats voor het stadje staat genoeg water. Om ons heen moerasland en zandbanken. Veel vogels natuurlijk. Het ligt er heerlijk rustig. En dus blijven we een dag of zes. Daarover later meer.
Sinds we vertrokken zijn uit Vigo is het weer vrijwel constant prachtig. Af en toe wat bewolking, vooral 's ochtends bij zuidenwind. Twee keer wat druppels vroeg in de morgen. Eén serieuze bui onderweg van Peniche naar Porto. Aan de Atlantische kant was het wel regelmatig behoorlijk fris. Misschien 18 graden, p zee bij harde wind nog minder. Inmiddels is het beduidend warmer, zo rond de 25 graden. Met een windje erbij is het heerlijk, en 's avonds koelt het flink af. Hier geen hittegolven dus!!

vrijdag 14 juni 2019

Lissabon in zicht



Van Figueira da Foz is het 58 mijl varen naar Peniche. Weer vroeg op dus, want langs deze kust moet je bijtijds binnen zijn: in de loop van de middag gaat het steevast royaal waaien. 
Peniche was vroeger een eiland, maar zit nu vast aan het land. Het heeft nog een actieve vloot van vissers, en maakt daardoor ook een onopgepoetste indruk. Het aan de zee gelegen 16e eeuws fort werd in de 20e eeuw omgebouwd tot een gevangenis naar Amerikaans model. Hier werden in de tijd van dictator Salazar politieke gevangenen opgesloten. Een flink aantal daarvan wist trouwens toch te ontsnappen. De bezoekershokjes waar zowel gevangenen als bezoek gekoeioneerd werden zijn nog te zien.




Als je het schiereiland rondfietst kom je niet alleen langs Cabo Carvoeiro, en de daarvoor gelegen rotsklomp Nau dos Corvos (“schip van de raven”), maar ook langs spectaculair ruige, diep ingesleten spelonken. 








Met de bus bezoeken we het middeleeuwse, geheel ommuurde Obidos. Het stadje werd in 1228 door koning Dom Dinis aan zijn vrouw Isabel cadeau gegeven, en is tot in de 19e eeuw privé eigendom van de koning gebleven. Nauwe, kronkelende met keitjes belegde straatjes, drie kerken, waarvan de Igreja de Santa Maria met zijn houten plafond en met azulejos betegelde muren ongetwijfeld de mooiste is, en een fors kasteel. De huizen zijn allemaal wit met blauwe of gele beschildering. Het is absoluut toeristisch, maar toch heel erg de moeite waard.
 

En dan weer verder, richting Lissabon. De baai van Cascais vliegen we binnen, en we gaan toch maar in de royaal dure marina liggen. De formaliteiten duren absurd lang: we zijn minstens een uur bezig! We zijn hartstikke moe, maar maken ’s avonds toch nog maar een ommetje door de stad. In de straatjes aan de haven een en al (nogal toeristische) restaurantjes, verderop hele interessante, grote huizen en palacio’s. De Cidadela de Cascais is gigantisch. Hier bracht de koninklijke familie normaal gesproken de zomer door. Binnenin veel kunst in de open ruimte, galerieën, een luxe hotel en een museum. De volgende dag gaan we toch maar 5 mijl verderop naar Oeiras. Is ons door velen aanbevolen. Vandaar kun je (met bus, trein en/of fiets) alle kanten op. De ontvangst is heel prettig en snel, en we krijgen via de mail direct veel toeristische info. De volgende morgen liggen er verse broodjes in de kuip.
Maar na aankomst fietsen we eerst maar eens langs de Taag richting Lissabon. En ja, we bereiken de Torre de Belém en het monument dat herinnert aan de tijd van de ontdekkingsreizen (met o.a. Vasco da Gama). Nog wat verder langs de vele dokken, en dan weer terug. 
 Sintra, boven in de heuvels ten noorden van Cascais, is werelderfgoed. Het is een stadje, op een heuvel gelegen, vol paleizen, landhuizen, kastelen, parken en wilde tuinen. We gaan er per bus naar toe, maar worden een stuk van Sintra Vila afgezet. Het hoogste paleis, het paleis de Pena, torent gigantisch hoog boven ons uit. We gaan lopen, maar komen er niet echt uit welke kant we nu op moeten. Uiteindelijk laten we ons door één van de vele tuktuk's die hier rondrijden. bij genoemd paleis afzetten. Door het park er naar toe. Het is sprookjesachtig, maar er staat een rij van een uur voor de bezichtiging. Verder naar het Cruz Alta, en het Moorse kasteel. En dan vinden we toch nog de route naar Sintra Vila, waar o.a. het Palacio Nacional de Sintra staat. 
 Vanuit Oeiras bezoeken we uiteraard nog een aantal keren Lissabon. Een wandeling door Alfama, en langs mooie kerken en miradouros. Over het Praça do Comércio, en door Baixa. Het is er druk natuurlijk, maar erg leuk. Tot slot nog een bezoek aan het schitterende Mosteiro dos Jerónimos. 

 
 Wordt vervolgd.


dinsdag 4 juni 2019

De Portugese Noord

Tijdens de zomermaanden staat langs de kust van Portugal vaak de Portugese Noord. In Leixões (spreek uit "layshoinsh'') waait die dagen achter elkaar loeihard. De wind giert door de haven, en er is een enorm temperatuurverschil tussen de stad, of meer in het algemeen het binnenland, en de kust. Wel al die tijd strakblauwe luchten. Genoeg tijd dus om de omgeving uitgebreid te verkennen. Naast -uiteraard - Porto is vooral de kust richting noorden leuk.
 De San Francisco kerk is van binnen een en al goud: gestolen uit Brazilie in de slaventijd. Walgelijk eigenlijk.


Uiteindelijk kunnen we op woensdag verder. 67 mijl te gaan, dus we vertrekken om 5.30 uur. Na zo'n 11,5 uur zijn we in Figueira da Foz. Onderweg toch weer zwarte walm uit de motor. Onze Willie Wortel aan boord vindt na enig zoeken de oorzaak: een lek in de uitlaat heeft het luchtfilter verstopt, waardoor de motor bij hogere toeren niet voldoende lucht kreeg en er geen volledige verbranding meer was. Luchtfilter eruit, en een paar dagen later vervangen door een zelfgemaakt exemplaar.
Figueira da Foz is vooral een vrij bekende badplaats. Enorm lange, en vooral brede standen. Het oude gedeelte met smalle straatjes en een aantal markante gebouwen is best leuk. Op Hemelvaart - dat hier in het zeer katholieke Portugal niet gevierd wordt trouwens - is het heet, zo'n graadje of 32. Desondanks verkennen we de omgeving en komen we uit bij de oude vuurtoren op Cabo Mondego.
Vrijdags is het lekkerder. Eerst bezoeken we Casa de Paço, waar we een privé rondleiding krijgen langs de 7000 Nederlandse tegeltjes uit begin 18e eeuw die er de muren bekleden. Erop landschappen, ridders, enkele belangrijke historische figuren en bijbelse taferelen. Blijken van een Nederlands schip te komen dat ooit zware stormschade opliep en ze ruilde voor reparatie van het schip. Zo gaat één van de verhalen althans.


Aan de overkant van de rio Mondego zijn zoutpannen. Van de 2000 die vroeger in gebruik waren zijn er nu nog zo'n 20 over. Dat - en nog veel meer - vertelt ons Pedro, die bezig is de zoutpannen schoon te maken voor de zomerproductie. Zwaar werk!! Bij zijn Venezolaanse vrouw kopen we een zakje zeezout, en een zakje "flor de sel". Dat is het vel dat bovenop het water drijft, dus het zout dat het eerst kristalliseert. Verder fietsend zien we hele grappige zwart-witte vogels met enorm lange oranje poten, en een grote rechte snavel. Het blijken steltkluten te zijn. In Nederland tamelijk zeldzaam. En dan spotten we enorme groepen flamingo's. Geweldig!!
 We zijn inmiddels via Peniche in Cascais aangekomen, maar daarover later meer.